
Vrijdag 4 september 2026
Maandag 24 augustus diende het beroep tegen een uitspraak van de bestuursrechter die de minister vrijuit liet gaan in het Woo-verzoek waarin hij niet de juiste informatie heeft verstrekt. Dat hoger beroep diende bij de Raad van State waar drie zogeheten Staatsraden zich gaan buigen over de gronden van dat hoger beroep.
De zitting duurde ruim anderhalf uur en – dankzij de door de VVJ (Vereniging Vrije Journalisten) gewonnen rechtszaak [1] – kon deze worden gefilmd. In deze tijd bleek het mogelijk om alle argumenten redelijk grondig door te nemen. De zitting begon met deze pleitnota [2] waarin de zaken scherp gesteld werden, met verwijzing naar het dossier en met name de nieuw ingebrachte informatie die openbaar was gemaakt als gevolg van een tweede Woo-verzoek.
De rapporteur van de staatsraad stelt vragen aan beide partijen en vat de antwoorden veelal in eigen woorden samen. En vraagt dan vervolgens aan de andere partij om daarop te reageren. De griffier maakt een eigen proces verbaal. Ook wij deden dat, om al vroeg over een volledige weergave te kunnen beschikken, en die transcriptie is hier [3] te vinden.
De minister werd voornamelijk vertegenwoordigd door een medewerker van de juridische afdeling die niet op beeld wilde verschijnen en daar geen toestemming voor gaf. De naam van deze amabtenaar, dhr. Vroegop, is wel openbaar.
De bestuursrechter had eerder geoordeeld dat de BMRK niet voldoende duidelijk had gemaakt dat de minister “met een eenvoudige handeling” een betere tabel had kunnen maken dan die welke op 14 februari 2024 geleverd was. Bovendien vond de rechter toen dat de onjuistheden in de tabel (die wij hadden betiteld als “destructieve anonimisatie”) niet zo ernstig waren; de minister hoeft immers “niet voor de juistheid van de te leveren documenten in te staan”.
Zodoende bleef het besluit van de minister overeind waarin hij in begin 2024 een tabel had geopenbaard die niet aan het Woo-verzoek voldeed, maar volgens de rechter "zo veel mogelijk het gevraagde benaderde".
Welke gronden voerde de stichting aan voor het hoger beroep?
De volledige dossiers melden hoe die gronden uitgebreid zijn verwoord, maar het laat zich samenvatten als:
Bovendien en ten overvloede voerde de advocaat van de stichting, Mr. Meike Terhorst, aan dat er jurisprudentie is in het Europees recht (EVRM), het Magyar arrest, die bepaalt dat privacy niet misbruikt mag worden voor het tegenhouden van openbaring van informatie waar het een publieke waakhond betreft, een omschrijving waarin de stichting als public watchdog beschouwd kan worden.
Nu schonken de Staatsraden opvallend weinig aandacht aan deze laatste grond. Wel werd er uitgebreid stil gestaan bij de ‘dataset’ waar de minister de eerdere informatie uit gehaald heeft, namelijk een bepaalde dataset in BI-CIMS (de ‘EPI-dataset’) en de reden dat deze is gebruikt, in plaats van de CIMS database waar alle gegevens in staan, dus ook de gezochte sterfteweek of -dag. De minister stelde dat deze (EPI) dataset “was aangetroffen”, en dat die op een gegeven moment geschikt was gebleken omdat de sterftedatum hier “geanonimiseerd” in was opgenomen. Hier neemt dan de anonimisering de vorm aan van het verschuiven van de sterftedatum naar de eerste van de maand. Laten we deze argumentatie A1 noemen.

De Staatsraad heeft het argument A1 in verschillende vormen herhaald, inclusief de uitleg dat de BI-CIMS database gebruikt wordt voor onderzoek. Het beeld ontstond daarbij dat een ‘query’ om BI-CIMS te bevragen beduidend eenvoudiger zou zijn dan een overeenkomstige query die toegepast zou kunnen worden op de oorspronkelijke CIMS-database. Dit was althans wat de woordvoerder van de minister stelde, zonder dit te onderbouwen.
De stichting heeft dit bestreden met een tweeledige argumentatie. Allereerst ziet een query voor de CIMS database er zeer vergelijkbaar uit ten opzichte van de op de BI-CIMS toegepaste query. Ten tweede zeggen RIVM medewerkers in verschillende emails op diverse momenten (na en voor de zitting van het beroep!) dat de CIMS-database zonder problemen gebruikt kan worden. Ook wordt gesteld dat dat niet veel werk is en dat “de bestaande query aangepast kan worden”.
De stichting wees de Raad er ook op dat uit die emails bleek dat medewerkers zelf ook niet begrepen waarom VWS de verkeerde tabel leverde, terwijl ook de destructieve gebreken zoals de ‘ontbrekende kolommen met verwachte negatieve waarden’ bevraagd werden. Dergelijke interne emailberichten werden tussen rivm en vws overigens schijnbaar nooit opgevolgd met een antwoord, maar de strekking van de interne correspondentie moet de Staatsraden ondubbelzinnig duidelijk zijn geworden.
Opvallend was dat de minister zich kennelijk niet intensief in het dossier had ingelezen want hij leek niet goed thuis in de uitspraken van de rivm-medewerkers. Hij moest op bepaalde delen van het dossier gewezen worden, terwijl die toch zeer overzichtelijk in tabellen waren voorgelegd.
De stichting had aangevoerd dat de geleverde tabel “destructief was geanonimiseerd”. Om duidelijk te krijgen wat hiermee precies bedoeld werd, nam enige tijd van de zitting. Maar die tijd leek goed besteed want er leken wat misverstanden te bestaan.
In het dossier werd gesproken over ‘inconsistenties’. Nu had de bestuursrechter in zijn uitspraak al laten blijken dat hij niet precies begreep wat die inhielden want hij viel bij de interpretatie regelrecht terug op het verweer van de minister dat ‘de negatieve waarden afdoende verklaard waren’ en dat er nou eenmaal vervuiling van de data optreedt, daarmee doelend op onjuiste invoer van vaccinatietijdstippen of datum bij de GGD enz. De stichting kreeg op zitting de gelegenheid om dit misverstand de wereld uit te helpen, namelijk dat het überhaupt om een van beide zaken zou gaan.
Om misverstanden te voorkomen, het bestaan van echte invoerfouten hebben we nooit betwist maar ook nooit aangevoerd als ‘inconsistentie’, noch als ‘destructieve anonimisatie’. Idemdito voor de negatieve waarden. Met de gegeven maandresolutie verwacht je die immers juist: negatieve waarden tot -30 zijn eerder een teken van consistentie als die in diverse kolommen (voor de verschillende prikken) gelijkelijk verschijnen.M
Maar daar zat ‘m precies het probleem, zo kon de Staatraad worden uitgelegd: terwijl in de eerste kolom dit verwachte patroon optrad, was die voor tweede, derde en vierde kolom volledig afwezig! Dat was precies wat we bedoelden met inconsistentie: de inhoud van de tabellen was onbestaanbaar, omdat dit zou betekenen dat van al die gemiddeld 14.000 overledenen in een maand, er niemand in dezezelfde maand zou zijn gestorven als dat de laatste prik werd toegediend. Wel voor de eerste. maar niet voor de tweede prik – of de derde, of de vierde.
Nu dit punt eindelijk duidelijk was gemaakt, vroeg de Staatsraad naar een reactie van de minister. Die stelde slechts “summier te kunnen reageren” omdat dit voor hem ook niet duidelijk was. Al sprekend, boog hij het punt om naar het idee dat dit een illustratie was van zijn eerder geopperde idee dat kwaliteitscontrole een belangrijk aspect was bij het samenstellen van informatie met een query – en dat dit aanzienlijke hoeveelheid moeite zou vergen. Te veel voor de Woo.
Vanzelfsprekend wezen we daaropvolgend de Staatsraad op de discrepantie met de volstrekt gebrekkigheid van de verwrongen informatie die de minister had verstrekt. Hopelijk is het de Staatsraden niet ontgaan dat het gebrek aan rekenschap en ook voorbereiding op deze zitting in dit opzicht niet spreekt voor de oprechtheid van de wederpartij.

De Staatsraden verwoordden halverwege de zitting, toen de verduidelijkingen omtrent de kwaliteit van de tabel nog niet aan de orde waren geweest, het zo: we hebben vastgesteld dat de gevraagde gegevens bij het RIVM aanwezig zijn, dus technisch is het mogelijk om de gevraagde tabel aan televeren. Maar wat maakt nou dat dit juridisch ook zou moeten?
In het antwoord konden we terugvallen op het feit dat de minister al een tabel had gemaakt en dus zelf van mening was dat deze activiteit in het kader van de Woo gerechtvaardigd was. Verder was ons standpunt duidelijk dat de query een nogal triviale handeling was om aanwezige informatie anoniem te openbaren.
De Staatsraad herverwoordde het eerste argument in typische rechtbankstijl, dat het, gezien de eerdere inspanning om de eerste tabel te vervaardigen, “op de weg van de minister had gelegen” om eenzelfde soort inspanning te verrichten om de juiste (gevraagde) data aan te leveren.
De minister trachtte op dit punt de indruk te wekken dat de inspanning die met de inzet van CIMS gemoeid is, aanzien groter zou zijn dan die voor de BI-CIMS route. De rapporteur leek hierin mee te gaan bij het herverwoorden van dit punt. Immers, de ‘dataset’ in BI-CIMS was toch speciaal ingericht voor deze doeleinden (onderzoek).
Als reactie daarop wezen wij bij herhaling op de uitlatingen van RIVM-ers die in de berichten daar veel makkelijker over deden.

Eigenlijk was het mooi geweest om tijdens de zitting de vraag op te werpen waarom de minister niet met een onderbouwing op de zitting was verschenen van de stelling, bijvoorbeeld met een schatting van het benodigde werk om de gevraagde dataset aan CIMS te onttrekken. Hij had daarvoor toch ruim de tijd gehad. Dat is echter niet gebeurd en de minister gaf voor de inspanning een bereik aan van “tussen de 2 en de 5 dagen”, maar gaf ook te kennen dat hij zelf de expertise voor het doen van zo’n schatting ontbeerde.
We hebben in de zitting over het algemeen afgezien van de directe suggestie dat de minister op enig moment heeft gelogen. Dat had gekund, bijvoorbeeld bij het “aantreffen van de tabel” of het al of niet beschikken over de juiste database met sterftegegevens vóór anonimisatie. Het eerste punt hebben we laten rusten omdat we sterkere kaarten hadden in de vorm van de uitspraken van rivm-ers in emails.
Bij het tweede punt hebben we gevraagd of het de staatsraad opgevallen was dat het bericht dat VWS ons na de zitting stuurde, duidelijk niet klopte: de cims-database bevat immers precies die niet-geanonimiseerde sterftedata. De woordvoerder moet dat hebben geweten omdat de interne correspondentie nota bene daarop wees. De voorzittende Staatsraad bevestigde dat we dit goed en duidelijk op een rij hadden gezet in de gronden van beroep [4]. Dat geeft dan enige hoop, maar teleurstellend is het op zo’n moment wel dat het niet wordt aangegrepen voor een kritische vraag aan de minister.
Onze advocaat wierp VWS wel voor de voeten dat de verschuiving van sterftedatum ‘bij wijze van anonimisering’ een vorm van vervalsing is die geen pas heeft. Dat leverde een discussie op met de staatsraden die dit woord niet van toepassing vonden.
De nuances hieromtrent zouden later nog kunnen doordringen en tot het besef kunnen leiden dat het enerzijds afhangt van de benaming van het gegevensveld (sterftedatum versus sterftemaand bijvoorbeeld) en anderzijds van het gebruik: door een deltavaxwaarde te verstrekken op basis van de eerste van de maand, wordt vervalsing gepleegd op het moment dat de zo ontstane ‘pseudodeltavaxwaarde’ behandeld wordt (en gepubliceerd wordt) als betrof het deltavaxwaarden conform de definitie.
De voorzittende Staatsraad sloot af met het voorgenomen streven om na zes weken met een uitspraak te komen. Dat betekent in de loop van de tweede week van oktober.
Mocht de uitspraak negatief uitvallen, dan kan eventueel een gang naar de Europese rechter worden overwogen. Ook kan een herziening worden aangevraagd als er informatie naar voren komt die, als deze bekend was geweest op het moment van de zitting, tot een ander besluit had kunnen leiden.
Wat dat laatste betreft, is het van belang dat in de tussentijd de stichting een nieuw Woo-verzoek zal indienen naar de totstandkoming van de EPI-dataset in de BI-CIMS database. Het wekt immers bevreemding dat die informatie (i.c. de kolom met sterfte op de eerste van de maand) via een gerichte query is gegenereerd, terwijl naar eigen zeggen niemand deze informatie nodig zou hebben gehad.
Daarnaast willen we dan graag de gebruikte query geopenbaard zien. Dan kunnen we redelijk objectief vaststellen hoeveel werk gemoeid is met het genereren van een dataset uit CIMS, zowel absoluut als relatief ten opzichte van de al verrichte inspanning. Omdat dan die 'eerste van de maand' manipulatie ontbreekt, is te verwachten dat ook de consistentie van de tabel niet zo'n probleem zal zijn. Enige aandacht kan dan uitgaan naar het voorkómen van te kleine groepsgrootte, hoewel het Magyar arrest toont dat deze handelingen zouden kunnen vervallen vanwege minder zwaar wegend belang van 'privacy' van reeds overleden mensen.
Dat argument van 'veel werk' is natuurlijk een schijnvertoning. Iedereen die het dossier gezien heeft en beseft dat de zaak al meer dan vier jaar getraineerd wordt, zal beseffen dat het argument “veel werk om een tabel te maken” een gezocht argument is waarvoor geen Staatsraad zou moeten vallen.
[1] De VVJ-zaak over de Persrichtlijn: https://vvj.nu/art/news/rechter-veegt-discriminerende-persrichtlijn-van-tafel-2026-05-13
[2] De pleitnota van de stichting: https://mega.nz/file/fyhiETCQ#6nReAbtqFXjeDsPZQBaF5g1C27YI2mCs4AF7eIg_4x0
[3] De letterlijke transcriptie van de hoger beroep zitting: https://mega.nz/file/auw0xaZD#mLFOuflc-KWP44ZBePYWrFEgkQ1KSls71BNjWHBbkjM
[4] Productie A4 met daarin de ter zitting besproken emails van het RIVM en VWS: https://mega.nz/file/P7BljaBY#K9OajpXsHbJ0l5BtYsmdBSpan2gwWGhUibv-jL9Kwxg
Tot slot nog even het verhelderende schema dat is besproken, welke databases nu hoe kunnen leiden tot welke tabel:

Ondersteun ons met een donatie en help de BMRK om studies te verrichten en informatie te verzamelen bij publieke bestuursorganen en andere organisaties.
Doneer nu